Vervaltermijn transitievergoeding na ontslag

Heeft u recht op een transitievergoeding na ontslag, maar laat uw werkgever na om deze te betalen of heeft uw werkgever te weinig betaald? Kom dan snel in actie!

De wettelijke transitievergoeding

Bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst is de werkgever in sommige gevallen een wettelijke transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd. De transitievergoeding is verschuldigd in de volgende situaties:

  • De arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever met toestemming van het UWV;
  • De arbeidsovereenkomst is ontbonden door de kantonrechter op verzoek van de werkgever;
  • De werknemer neemt ontslag wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever;
  • Een tijdelijk contract voor bepaalde tijd wordt niet verlengd door de werkgever.

Lees hier meer over de wettelijke transitievergoeding.

Niet-tijdige of onjuiste uitbetaling? Neem dan actie binnen 3 maanden!

Indien uw werkgever nalaat de transitievergoeding te betalen of te weinig betaalt, is het belangrijk om op tijd actie te ondernemen. Er geldt namelijk een vervaltermijn van drie maanden. Dit betekent dat de werknemer binnen drie maanden na de einddatum van het dienstverband een procedure bij de rechter kan beginnen om de betaling van de transitievergoeding af te dwingen. Na het verstrijken van deze drie maanden kan de werknemer wettelijk geen aanspraak meer maken op de transitievergoeding.

Vervaltermijn niet bedoeld om betaling te vermijden

Sommige bedrijven hanteren een zogeheten “piepsysteem”: de werkgever betaalt de transitievergoeding niet tot de werknemer begint te piepen. Werkgevers hopen dan dat werknemers pas gaan piepen na het verstrijken van de vervaltermijn en zo proberen zij betaling van de transitievergoeding te vermijden. In sommige situaties kan de vervaltermijn echter buiten beschouwing worden gelaten, zo blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.[1]

In die rechtszaak ging het om een werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV werd opgezegd per 1 juli 2016. De transitievergoeding werd niet uitbetaald. Eind augustus 2016 deed de werknemer vergeefs een poging om telefonisch contact te krijgen met de werkgever en ook vroeg hij op 26 september 2016 om opheldering over de betaling van de transitievergoeding. Op 11 oktober 2016 liet de werkgever de werknemer weten dat de vervaltermijn van drie maanden op 1 oktober is verstreken is en de werknemer dus geen aanspraak meer kan maken op de transitievergoeding. 

Het hof stelt de werkgever echter in het ongelijk. Volgens het hof is de vervaltermijn bedoeld om onenigheid over de (omvang van) de transitievergoeding op korte termijn te doen beslechten, maar niet om, waar deze onenigheid er niet is, te speculeren op het ongebruikt verstrijken van die termijn om te proberen aan de betaling van de transitievergoeding te ontkomen. Omdat tussen partijen op geen enkel moment een meningsverschil heeft bestaan over (de omvang van) de transitievergoeding, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar dat de werknemer betaling van de transitievergoeding niet meer zou kunnen verzoeken. 

Ontslagvergoeding in een beëindigingsovereenkomst? Dan geldt een verjaringstermijn van 5 jaar

Indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd middels een beëindigingsovereenkomst (ook wel vaststellingsovereenkomst) zijn de regels van de wettelijke transitievergoeding niet van toepassing. Bij zo’n beëindiging met wederzijds goedvinden is de werkgever volgens de wettelijke regeling geen transitievergoeding verschuldigd. Het is echter wel gebruikelijk dat partijen onderhandelen over een ontslagvergoeding en die in de beëindigingsovereenkomst opnemen – anders stemt de werknemer ook niet met een dergelijke beëindiging in.  

Indien in de beëindigingsovereenkomst een ontslagvergoeding is opgenomen en de werkgever nalaat om deze te betalen of te weinig betaalt, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. De werknemer dient in dat geval binnen vijf jaar betaling van de overeengekomen ontslagvergoeding te vorderen. 

Heeft u vragen over dit onderwerp? U kunt vrijblijvend contact met ons opnemen via het contactformulier, e-mailadres: info@noordamadvocatuur.nl of telefoonnummer 020 – 68 98 123.


[1] Hof Den Haag 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2618, JAR 2019/16.